Tot 30 procent minder veehouderijen verwacht als gevolg van stikstofplannen
Volgens Wageningse onderzoekers wordt verwacht dat het aantal veehouderijen in Nederland met 10 tot 30 procent zal afnemen als gevolg van de stikstofplannen van minister Van Essen van Landbouw. De plannen beogen een betere balans tussen de landbouwsector en wat het land kan dragen, met als resultaat dat er meer dieren per bedrijf gehouden kunnen worden. De onderzoekers zijn van mening dat deze maatregelen de voedselzekerheid niet in gevaar brengen.
Hoofdonderzoeker Petra Berkhout van de Wageningen Universiteit benadrukt dat het stikstofpakket een ingrijpende impact heeft op de betrokken boerenfamilies. "Tegelijkertijd is een krimp van de veehouderij noodzakelijk om natuur- en milieudoelen te bereiken. Het is cruciaal dat overheden weer vergunningen kunnen verlenen. Als een deel van de veehouders stopt, ontstaat er bovendien ruimte voor de veehouders die doorgaan," aldus Berkhout.
Het onderzoek, dat is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, biedt een eerste analyse van de economische gevolgen van de stikstofplannen die Van Essen in juni presenteerde. De plannen bevatten veel onduidelijkheden en details die nog niet volledig zijn uitgewerkt. In het recent gepresenteerde stikstofwetsvoorstel zijn enkele punten aangepast na gesprekken met de landbouwsector en protesten van boeren, maar het merendeel van de plannen blijft ongewijzigd.
Voor melkveehouders zijn de toekomstige eisen het meest concreet. Dit betreft bijvoorbeeld de toegestane ammoniakuitstoot en de minimum hoeveelheid weiland per koe. Onderzoek onder melkveehouders toont aan dat minder dan 5 procent van de melkveebedrijven momenteel voldoet aan de eisen van de overheid.
Dit betekent dat veel veehouders aanzienlijke investeringen moeten doen om aan de nieuwe eisen te voldoen. Hoewel er een stikstoffonds is om hen te ondersteunen, verwacht Berkhout dat een aanzienlijk aantal veehouderijen, ook in andere sectoren, het niet zal redden, zelfs met deze hulp. "Zonder de stikstofplannen verwachten we al dat zo'n 10 procent van alle bedrijven tussen nu en 2035 stopt. Door de stikstofplannen verwachten we een extra afname van 10 tot 30 procent," zegt Berkhout. Dit zou betekenen dat er in 2035 naar schatting 20 tot 40 procent minder veehouderijen zijn.
Berkhout legt uit dat de continuïteit van bedrijven afhankelijk is van hun financiële reserves. Grotere bedrijven hebben doorgaans meer mogelijkheden om te investeren. "Vergelijk het met het verduurzamen van je woning; iemand met een hoger inkomen kan gemakkelijker investeren in een warmtepomp dan iemand met een lager inkomen," voegt ze toe. De stikstofplannen zouden dus de schaalvergroting verder bevorderen, volgens de onderzoekers.
In 2000 had een gemiddeld melkveebedrijf 51 koeien, terwijl dat aantal nu is gestegen naar 114. Voor varkenshouderijen is het gemiddelde aantal 3900 varkens en voor pluimveebedrijven 45.000 leghennen. Berkhout ziet schaalvergroting niet per definitie als negatief. "Het belangrijkste is dat de veehouderijen voldoen aan de wet en ons voedsel zo schoon mogelijk produceren. Kosten voor extra milieu-investeringen komen vaak ten laste van de boeren in plaats van in de productprijzen. Daarom is het begrijpelijk dat boeren meer dieren willen houden om hun kosten te dekken."
Tegelijkertijd benadrukt ze dat niet alle kleine of middelgrote bedrijven zullen verdwijnen. "Er blijft altijd een diversiteit aan bedrijven, ook in de toekomst. Kleine bedrijven zijn vaak minder intensief of hebben aanvullende inkomstenbronnen, zoals een boerderijwinkel. Als ze aan de normen voldoen, kunnen ook deze bedrijven blijven bestaan."
De voedselzekerheid in Nederland komt volgens de onderzoekers door de stikstofplannen niet in gevaar. "De plannen hebben vooral invloed op het aantal dieren dat we in Nederland houden. Hoewel we wat rundvlees importeren, produceren we van alle andere dierlijke producten veel meer dan we zelf consumeren," concludeert Berkhout.
Ondanks dat de details van de stikstofplannen nog niet volledig zijn uitgewerkt, zijn de hoofdlijnen van het onderzoek volgens Berkhout nog steeds relevant. "Vooral in de gebieden rondom natuurgebieden kunnen er nog veranderingen optreden, maar de totale opgave voor de landbouw om de ammoniakuitstoot met 42 tot 46 procent te verminderen, blijft onveranderd. Onze conclusies blijven dus in grote lijnen geldig."